Willigis Jager

‘Het probleem van de westerse ethiek is dat ze niet uit liefde voor het leven voortkomt. Mensen die elkaar liefhebben, hebben eigenlijk geen moraal nodig. Als je liefhebt, weet je wat je wel en niet kunt doen. Als je liefhebt, kun je doen wat je wil. Liefde heeft geen wetten nodig. Liefde ontstaat als je aan je zelf voorbij kunt kijken naar wat de gemeenschap waarin je leeft nodig heeft.’

Als Zenmeester en benedictijnermonnik Willigis Jäger het over liefde heeft, dan gaat het niet om simpele patronen van sympathie of antipathie. Liefde gaat in zijn visie over de door alle mensen te ervaren grenzeloosheid, die meer is dan het ‘Ik hou van jou’. Deze grenzeloosheid mag de moderne mens rustig God noemen. Voor Jäger blijft het goddelijke een ‘onaangetast’ gegeven, terwijl alle beelden, symbolen en talen waarin die God verklankt en verbeeld wordt, aan voortdurende verandering onderhevig zijn. Jager voelt zich thuis bij de mysticus Eckehart, die schreef: ‘Als ik een God had die ik kon kennen, dan zou ik hem nimmer als God zien’.

Willigis Jäger is geboren in 1925, studeerde theologie en filosofie. Hij koos voor een contemplatief leven als benedictijnermonnik en priester in de abdij Münsterschwarznach. Hij gaf gedurende een kleine zeven jaar les aan het gymnasium van de abdij. Voor de katholieke ‘ontwikkelings’-organisaties Miserio en Mystio heeft hij vijftien jaar lang vele buitenlandse reizen gemaakt. Maar ook zijn ontwikkeling ging verder. Hij ging zich interesseren voor mystiek en besloot in 1975 om naar Japan te gaan. Onder leiding van de boeddhistische Zenmeester Yamada Kooun Roshi heeft hij zeer intensief aan Zazen-meditatie gedaan. Na 12 jaar onder deze meester kreeg hij de bevoegdheid om zelf les te geven in Zazen en na 20 jaar kreeg hij zelfs de erkenning als Zenmeester. Jäger is momenteel leider van het centrum voor spirituele wegen ‘Haus St. Benedict’ in Wurzburg.

Het oosterse denken fascineerde hem omdat daar een verhouding tussen leraar en student bestaat, die ‘niet in de boeken te vinden is’. En Japan wist bij Jäger zelf een hiaat op te vullen. Hij had in het westen niemand kunnen ontdekken die hem de diepten van de contemplatie, van de christelijke mystiek kon laten doorgronden. In Japan ontdekte hij dat het in de ‘christelijke’ mystiek van het westen – bij Johannes van het Kruis, Theresa van Avila, Meister Eckehart en Nicolas Cusanus – om dezelfde waarheden ging als in de ‘Zen’-mystiek van het oosten: liefde, verbinding en mededogen. Voor Jäger was het moeilijk om daadwerkelijk een vorm van integratie te vinden in Japan. Gelukkig was hij met een groepje Engelstalige westerlingen bij een leermeester die het Engels ook machtig was, anders had hij zich heel lang een vreemde in dat land gevoeld. ‘Maar we hebben elkaar steun kunnen geven,’ aldus Jäger.

Hij was er aanvankelijk voor beducht dat het verdiepen in Zen wel eens een vervreemding van zijn eigen wortels zou kunnen betekenen. Maar hij zag in dat het niet noodzakelijk was om het christendom te verlaten. ‘De weg van Zen kent geen religie of confessie. Zen is een weg die je meeneemt in een alomvattende ervaring. Hoe ik die ervaring duid is van mijn culturele achtergrond afhankelijk, maar de ervaring is en blijft hetzelfde. De ervaring laat zich volgens de Zenmeester in de taal van elke cultuur en religie interpreteren. De ervaring is tijdloos, is niet lokaliseerbaar. ‘Ik zou willen dat iedereen Zen zou beoefenen omdat het de mens naar een hoger bewustzijnsniveau brengt. Men ervaart in Zen de overeenkomsten tussen alle wezens. Men ervaart een universele liefde, die alle mensen verbindt. Deze liefde kan leiden tot een vredevolle manier van samenleven die we hier op aarde nog niet hebben kunnen waarmaken,’ aldus Jäger.

‘De weg van Zen voert ons weg uit de persoonlijke identiteit. Wie we werkelijk zijn gaat namelijk voorbij aan onze persoonlijkheidsstructuur. Het zou voor onze gemeenschap zegenend zijn als we dat inzicht zouden bereiken.’ Toen Jäger ooit in Afrika was, ontdekte hij dat de stam en de clan belangrijker waren dan het individu. Als een moeder van een kind stierf, was dat natuurlijk zeer pijnlijk, maar het kind behoorde tot een stam, die klaar stond om het kind op te vangen. Huwelijken tussen mensen werden door de clan geregeld, omdat ze van belang waren voor het voortbestaan van de gemeenschap. Volgens Jäger hebben we in het westen te veel oog voor het belang van het individu. ‘Veel mensen hebben niet de vaardigheid meer om zo in een gemeenschap te integreren.’ Er zijn volgens Jäger maar weinig communes die het gered hebben, omdat het moderne individu niet in staat is om binnen een sociale gemeenschap te leven. Dat het in Duitsland maar niet lukt om na de val van de muur tot een nieuw sociaal stelsel te komen, wijt hij aan het individualisme. ‘Natuurlijk willen de Duitsers een nieuw sociaal systeem, maar “wil je alsjeblieft niet bij ons beginnen”. Zo blijven de armen arm en de werkelozen werkeloos.’

Jäger noemt de mens een ontaarde ‘species’, wat blijkt uit het feit dat de geschiedenis van de mensheid bol staat van onmenselijke slachtpartijen. Toch noemt hij zichzelf geen cultuurpessimist, omdat de mogelijkheden tot het vormen gemeenschap die de wereld heeft nog onvoldoende zijn ‘uitgebuit’. De mystiek, de ervaring van eenheid, die uitmondt in liefde, kan in die gemeenschapsvorming een belangrijke rol spelen. De mystiek kan ons helpen om de nood van de ander als je eigen nood te zien. ‘Dan hoeft niemand nog tegen me te zeggen dat ik mijn naaste moet liefhebben. Het lijden van mijn medemens wordt mijn eigen lijden.’

‘Een atoom is een geheel, maar creëert in zijn eentje geen zingeving,’ zo meent Jäger. ‘Een atoom heeft alleen zin binnen het grotere geheel dat molecuul heet, en die molecuul heeft op zijn beurt alleen weer zin heeft binnen een cel. Een maas in het visnet dankt haar bestaansgrond alleen aan het visnet. De opvoeders van de mensheid: de priesters en leraren zijn te kort geschoten in het onderwijs van dat bewustzijn. Ze hebben de mensen wel moraal gegeven. Maar die moraal is veel te mager: je zult…, je moet… en je mag niet…. Regeltjes brengen ons niet verder. Als het auto-immuunsysteem van onze samenleving kapot, is de moraal blijkbaar niet het middel om dat immuunsysteem weer gezond te maken. Kijk maar eens naar Amerika. Daar zitten de gevangenissen het volst. Moraal is dus geen dragende factor, ze verandert niets.’

Maar is er dan geen sprake van ontwikkeling? ‘Ja, volop, maar we zijn nog niet op het wezenlijke bewustzijnsniveau gekomen, terwijl de wereld er wel om vraagt. We zijn al van primatenbewustzijn naar een persoonlijk bewustzijn ontwikkeld. En we openen ons steeds meer voor het universele bewustzijn. Maar we kunnen alleen overleven als we een ‘nieuw’ dagbewustzijn bereiken. Daarin ligt de redding van onze soort. Darwin heeft eens gezegd dat het wezen met het sterkste gebit zou overleven. Dat klopt niet. Overleven doet alleen de biotoop. We hangen samen, of we worden samen gehangen.’

Het idee van een maakbare samenleving dat zich in de jaren zeventig ontwikkelde blijkt volgens Jäger een illusie te zijn. ‘Liefde laat zich niet regelen door een maatschappelijk bevel. Liefde kan je wel de weg wijzen naar de barricaden, liefde kan in de vorm van geweldloos verzet leiden tot revolutie. Maar liefde is niet maakbaar.’

Willigis Jäger gelooft niet meer in God als de schepper van hemel en aarde. ‘God is de symfonie van het universum, wij zijn de noten. Ik ben mens geworden opdat ik als muziek moge klinken.’ Maar als hij dat zo formuleert is het niet gek dat de gevestigde religieuze orde een probleem met zijn taal heeft. Jäger: ‘Wie zegt me wie God is. Niemand weet dat. Geen beeld, geen concept kan tot uitdrukking brengen wat God is. God gaat voorbij aan deze woorden. Dit kleine menselijke verstand meent het universum te begrijpen, kom nou. Waar het om gaat ligt ‘voorbij’ de ratio. Alleen de mysticus kan die grens overschrijden. Alhoewel, ook de moderne natuurkundige wordt weer religieus. Die gelooft weer in een werkelijkheid achter de dingen. Maar het laatste wat overblijft is de roes. Wat het is: we weten het niet. Wat we wel weten is dat materie eigenlijk niet bestaat. Negenennegentig procent van het universum bestaat uit lege ruimte, waar energie in zit. De wereld is niet meer dan vertraagde energie.’

Moeten we volgens Jäger dan afscheid nemen van de bestaande religies? ‘De godsdiensten hebben de mensheid een tijdlang zin en betekenis gegeven. Dat is goed geweest. Maar de moderne mens heeft niet genoeg aan de oude beelden, zelfs niet aan de beelden van hoop die ze ons gegeven hebben, omdat die beelden te moralistisch waren. Of Mozes geleefd heeft, kan me niet veel schelen. Wat ik wil weten is of je als gemeenschap aan de hand van het beeld van de doortocht door de Rode Zee je eigen leven kunt duiden! Religie is een bril, die we nodig hebben om als mens te bestaan. Maar die bril staat ons te vast op de neus. Gelukkig begint de bril wat losser te zitten. Natuurkundigen laten ons zien dat we als verschijnselen waarnemen afhankelijk is van de bril die de waarnemer draagt. Dat is al wat. En de mystiek probeert ons ertoe te verleiden die bril af te zetten.’

Een interview met Zenmeester en benedictijnermonnik Willigis Jäger werd op spiritueel gebied een van de meest transformerende ontmoetingen van mijn leven. Terwijl ik met een paar duizend interviews voor radio en tijdschrift wel wat gewend was. Het komt maar zelden voor dat je in een interview antwoorden op vragen krijgt waar je zelf mee worstelt. Jäger heeft met zijn opvattingen over Zen en mystiek, stilte gebracht in mijn onrustige zoekende hoofd.

Jäger vertelde dat hij er bang voor geweest is dat het verdiepen in Zen wel eens een vervreemding van zijn eigen wortels zou kunnen betekenen. Maar dat gebeurde niet. Integendeel, het verdiepte zijn eigen geloofsleven dat wortelde in het christendom. Het stelde me gerust. Dankzij Jäger kon ik mijn pad vervolgen. De eerste ontmoeting met Jäger vond plaats rond 2003 toen zijn boek ‘Elke golf is de zee’ was verschenen. In dit boek wil hij de mystieke tradities van Oost en West verzoenen met het moderne wereldbeeld. ’Het herontdekken van de rijkdom van de grote mystieke tradities maakt het mogelijk dat de toekomstige weg van de mensheid een “weg naar binnen zal zijn”,’ zo leert de Zenmeester. Maar wat heb ik geworsteld met die weg naar binnen. Onze spirituele opdracht lag toch juist ‘daarbuiten, in de maatschappij?’ Door Jäger leerde ik dat ik een schijntegenstelling had gecreëerd. Toen was ik een drietal ontmoetingen verder, waarvan de laatste in 2014.

Dr. Johan Witteveen

Oud-minister Johan Witteveen over de ene Geest van de Schepping
Eén wezen, één wereld, één mensheid, één waarheid

“Ons diepste verlangen is juist om ervan bewust te zijn dat we delen zijn van dat grote geweldige geheel. Dan voelen we ons thuis en kunnen we de zin van ons leven vinden. We krijgen we een innerlijk begrip van de dingen en kunnen veel gemakkelijker harmonie in het leven opbouwen. En dit alles is in elk van de religies te vinden. In elke religies is een mystieke stroom aanwezig, die dat innerlijk leven zoekt en beleeft. De eenheid van alle religies en levensbeschouwingen, dat is de centrale boodschap van het soefisme voor deze tijd.”

Dr. Johan Witteveen was econoom en voormalig VVD-politicus. Hendrikus Johannes Witteveen (1921) was minister van Financiën in de kabinetten Marijnen en De Jong. Van 1973-1978 was Witteveen hij voorzitter van het IMF. Na het gymnasium studeerde hij aan de Economische Hogeschool te Rotterdam. Prof. Jan Tinbergen nodigde hem na de bevrijding van Nederland uit om mee te werken aan de opbouw van het Centraal Planbureau. In ‘47 promoveerde Witteveen op een proefschrift over loonhoogte en werkgelegenheid. Het jaar daarop volgde zijn benoeming tot hoogleraar. Van ‘58 tot ‘63 was Witteveen lid van de Eerste Kamer. Vanaf ‘63 tot ‘65 was hij minister van Financiën in het kabinet- Marijnen en van ‘67 tot ’71 in het Kabinet-De Jong. Van 1 september 1973 tot 16 juni 1978 was hij voorzitter van het Internationaal Monetaire Fonds. Hij stierf op 23 april 2019 in Wasseneer.

Ontsporen
Witteveen werd destijds actief in de politiek omdat hij het zo belangrijk vond dat een regering het nodige deed om een vrije economie op de juiste manier te laten functioneren. “Als die vrije economie goed werkt kunnen mensen hun eigen keuzes maken en wordt het economisch mechanisme, het prijsmechanisme vanzelf gecoördineerd. Maar ik heb ook gezien dat dat kan ontsporen. En dan stapelen de problemen van werkloosheid, inflatie en onrechtvaardige inkomstenverhoudingen zich op. Tinbergen, mijn leermeester, heeft me geleerd dat we het juiste klimaat moeten scheppen, waarin die vrije economie optimaal kan functioneren. De minister van financiën is verantwoordelijk is voor de begrotingspolitiek. Een belangrijk element in die conjunctuurpolitiek is dat je de begroting een beetje tegenwicht geeft en in ieder geval met die begroting een beetje meedeint met die conjunctuur. Verder kun je speciale maatregelen nemen om werkloosheid tegen te gaan. Een minister heeft de nodig invloed in de monetaire politiek. Door de juiste rentemaatregelen kun je de economie stimuleren. Maar de mogelijkheden van een minister van financiën zijn kleiner dan je denkt.”

Oliecrisis
Witteveen heeft voor zijn dood nog een plan neergelegd bij Christine Lagarde, de huidige voorzitter van het IMF, om de financiële crisis in Europa op te lossen door de financiële overschotlanden (o.a. China, India, Brazilië en enkele landen in het Midden-Oosten) via het IMF de Europese tekortlanden te laten financieren. Deze oplossing lijkt sterk op de oplossing die hij in de jaren ’70 naar aanleiding van de oliecrisis heeft gearrangeerd ten behoeve van Engeland en Italië. Europa is niet meer in staat om dit zelf op te lossen, omdat het politieke draagvlak bij de bevolking, en daardoor ook bij de politici, ontbreekt om de tekortlanden nog te hulp te schieten. Witteveen publiceerde zijn ideeën ook in de Financial Times, zodat de hele financiële wereld daarvan kennis kon nemen. De oud-IMF-voorzitter is nog bij mevrouw Lagarde op bezoek geweest. “Ik heb natuurlijk geen enkele invloed meer als persoon, maar ideeën zijn ideeën. En als je een overtuigend verhaal houdt, dan heeft dat wel invloed, ja. Ik kreeg weer een uitnodiging om die jaarvergadering als special guest bij te wonen. En dat heb ik gedaan, het was een bijzonder warm en belangrijk gesprek is geweest. Nu nog kijken of haar staf er wat mee kan.”

Hazrat Inayat Khan
Witteveen is lid van de Soefi Beweging Nederland. Het Universeel Soefisme is een religieuze stroming, waarin de denkbeelden van het soefisme en het westerse denken verbonden zijn. Het Universeel Soefisme is gesticht door de Indiase muzikant Hazrat Inayat Khan. De essentie van zijn leringen is dat alle godsdiensten uit één en dezelfde goddelijke bron voortkomen en dat alle religies uiteindelijk op dezelfde God zijn gericht. Volgens Khan heeft God vele benamingen en beleeft elk mens God op zijn eigen manier. Dit is dan ook de centrale boodschap van Hazrat Inayat Khan. Het universele soefisme ziet zichzelf niet als een zelfstandige godsdienst of sektarische groepering. Ze wil de idee van de eenheid der godsdiensten verspreiden en de bestaande tegenstellingen – die door de diverse geloofsvormen zijn ontstaan – overstijgen.

Schepping
“Hazrat Inayat Khan was ervan overtuigd dat alle verschillende religies in wezen allemaal naar hetzelfde streven, namelijk om de mensen in contact te brengen met de ene geest van de schepping. Mensen bedenken daar allerlei namen voor – God, Allah, de Bron, de Levende – de namen zijn verschillend maar het gaat om één wezen, één waarheid. Ze zijn zeer verschillend in de vorm en toch gaat het om één essentiële waarheid en dat kunnen we ook iedere dag bemerken als we ons in die religies verdiepen. Daarom heeft ons een universele eredienst geschonken, een eredienst waar zes grote religies hun plaats in hebben. In alle teksten van die religies kun je die ene stem horen.”

Trouw
‘Het is wel degelijk mogelijk voor mensen met een religieuze of spirituele achtergrond om actief te zijn in de materiële wereld terwijl we trouw blijven aan onze idealen en afgestemd blijven op de Goddelijke Geest. De grote vraag is natuurlijk of we voldoende vooruitgang kunnen boeken op het spirituele pad zonder ons af te keren van de wereld en onwerelds worden. Naarmate meer mensen in deze geest gaan werken, zal de economie geleidelijk aan gespiritualiseerd worden, zodat veel ongezonde en oneerlijke kenmerken van de machtige groeimachine van het marktkapitalisme kunnen worden verzacht of overwonnen.’
Over het spanningsveld tussen religie en economie schreef hij ooit het boek Soefisme en Economie. ‘Terwijl de economische wetenschap onderzoekt’, schreef hij, ‘hoe we maximale bevrediging kunnen ontlenen aan materiële goederen en diensten, richt religie ‘‘de aandacht van de mens in tegengestelde richting: op God, die boven de materie staat en onzichtbaar, onhoorbaar en ontastbaar is, maar toch alles doordingt en de scheppende kracht is van alles. Religie heeft te maken met het innerlijke leven van de mens en economie met het uiterlijke leven’’.’

Pad van Bereiking
Volgens Witteveen geeft het universele soefisme zoals de mysticus Hazrat Inayat Khan(1882-1927) dat naar het westen heeft gebracht een bevredigend antwoord op deze en gene vragen. “Het is goed voor de mens om ergens naar te streven, iets proberen te bereiken, ook als het iets materieels is. Inayat Khan noemt deze weg het Pad van Bereiking. Je zet je in voor een bepaald ideaal. Aan het doel dat je je stelt, waar je naar verlangt, moet je met grote kracht en concentratie werken, maar als je het hebt bereikt moet je weer verder. Je moet er niet in blijven steken of bij blijven stilstaan. Het is slechts een deel van je pad. Stel je vervolgens een hoger ideaal: zodat je steeds meer naar geestelijke idealen komt. Dat is de schakel die de wereld van de economie en de wereld van religie bij elkaar brengt. Door je werk in de wereld kun je geestelijk vooruit komen en op den duur tot een steeds diepere religieuze beleving komen.”

Scheppen
Witteveen heeft honderden lezingen gehouden in spirituele kringen waaronder kerken en loges. Hij waardeert de vrijmetselarij in haar zoektocht naar waarheid. Vrijmetselaars willen in vrijheid denken over wat mensen verbindt. Hij spreekt met waardering over de weg der symboliek die de vrijmetselaar dichter brengt bij de eenheid der mensen. En de gedachte aan een Opperbouwmeester die ons leven en wereld doet zien als een te voltooien bouwwerk staat dichtbij de leefwereld van het soefisme. ‘We zijn niet op aarde,’ zo vervolgt de oud-minister, ‘omdat we uit de hemel verbannen zijn, maar omdat we kunnen scheppen. In de interesse die we kunnen opbrengen voor alles wat we creëren zijn we medewerkers van de Goddelijke Schepper.’

Deugden
“Als ik dat vertaal naar de economie: wanneer we in de westerse kapitalistische samenleving meer spirituele afstemming en inspiratie ontwikkelen, dan komen de sociale deugden vanzelf tot bloei. De mystici hebben het erover dat je zowel een weg naar binnen als naar buiten moet gaan. Natuurlijk, een kwestie van evenwicht. Inayat Khan ziet het als ideaal om deze twee kanten van het leven samen te brengen. We hebben het in ons, want ons diepste wezen is van goddelijke aard. We zijn alleen vaak zo begoocheld door het uiterlijke leven dat we het vergeten. Daar worden we ongelukkig en onvoldaan van. Ga op zoek naar wat er achter je gedachten en gevoelens zit. Dat is meditatie. Proberen voorbij het denken te komen. Daar zijn tal van oefeningen voor. Het is niet eenvoudig. In de mystieke scholen kreeg je daar leiding in. Als je op zoek gaat, kun je het ook vinden.”

Dorothee Solle

Ze is milder over de kerk dan ooit tevoren. Haar relatie met de ‘linkse intelligentsia’ is wat bekoeld. Niet dat ze minder radicaal is geworden. Nee, sinds de kerken op de bres staan voor asielzoekers en de voormalige linkse intelligentsia een tweede huis koopt in Italië, is er voor Dorothee Sölle veel veranderd. Ik zocht haar op en sprak met haar over de zin en onzin van het bestaan. Het interview vond twee jaar voor haar dood plaats.

Ze heeft meer dan veertig boeken op haar naam staan. Bijna zeventig jaar is ze nu. Haar ogen stralen het ene moment mildheid uit, dan weer vreugde, soms antwoordt ze me met een zekere felheid om vervolgens wat verdrietig om haar heen te staren. De aanleiding tot het gesprek was haar boek Mystiek en verzet dat ze als haar ‘magnum opus’, haar levenswerk, zag. En inderdaad, Sölle legde in dit prachtige boek verbindingslijnen die je nooit eerder bij haar aantrof. Toch beweert ze dat de verbinding tussen vroomheid en politiek al een oud thema in haar leven is.

Mystiek
“In de loop van de jaren ben ik me bewust geworden hoe diep deze spirituele verbintenis in de mystieke traditie is geworteld. Mystiek is geen vlucht uit de wereld. Mystiek betekent niet dat je in de woestijn gaat zitten en vervolgens niet meer met mensen praat. De grote mystici van alle religies hebben weliswaar in conflict met hun samenleving geleefd, maar daaruit tevens hun inspiratie geput. Mystiek en engagement gaan perfect samen. Dus ik zie dit boek dan ook niet als een breuk met het verleden, maar meer als een vervolmaking van mijn denken.”

Waarheid
Dorothee groeide op in een liberaal-burgerlijk milieu. Haar familie had niet zo veel op met kerk en religie. Toen zij haar vader, de beroemde jurist Hans Carl Nipperday, ging vertellen dat ze haar studie klassieke talen op wilde geven om theologie te gaan studeren, haalde hij zijn schouders op. Maar ze moest zelf maar weten wat ze deed. Zelf beschrijft Sölle haar keuze voor het christendom als een radicaal bekeringsproces, een fundamentele omwenteling in haar leven. “Mijn ‘bekering’ tot het christendom had met mijn politieke kijk op het leven te maken. Ik zag wat er deze eeuw met mijn volk gebeurde. Ik stelde de vraag of ik wel uit de voeten kon met het liberalisme van mijn ouders. Ik ging theologie studeren met de bedoeling – dat was nogal naïef – om de waarheid te vinden. Ik moest en zou weten wat de waarheid was. Mijn liberale vader vond dat maar onzin, maar ja.”

Ommekeer
“De essentie van mijn ‘ommekeer’ had te maken met Auschwitz. Hoe kon zoiets gebeuren met een volk van geschoolde Europeanen die Beethoven speelden? Waar waren jullie, ouders en leraren? Wat hebben jullie gedacht en gedaan in die tijd?”

Sölles verbijstering gold niet zozeer de fanatieke nazi’s. Hun houding was duidelijk en mensonterend. “Binnen de kerken was er sprake van een relatief kleine groep, de zogeheten Deutsche Christen, nazi’s die meenden christenen te zijn. Een even kleine groep verzette zich tegen het nazisme: de Bekennende Kirche. Het grootste deel echter keek alleen maar toe. Men zei niet te weten dat het allemaal zo erg was. Ze waren toeschouwers. Dat gegeven heeft een stempel op mijn leven gezet. Ik was daar erg door van slag: het feit dat er mensen zijn die simpelweg toekijken. We hebben nu allemaal zo’n kast in de kamer die ons tot toeschouwer opvoedt: het centrale probleem in onze wereld. Deze manier van toeschouwen is niet veel beter dan die van destijds.”

Projectie
“Het heeft me naar Christus toegetrokken. Ik was niet zo op God gefixeerd. Aan de Almachtige Vader die dat allemaal op zijn geweten had, heb ik nooit geloofd. Ik ben gelukkig niet door het christendom beschadigd – noch seksueel, noch psychologisch. Het beeld van de almachtige vader is een mannenprojectie: je hoeft maar een minuutje over het woord omnipotens na te denken en je weet waarom…! Je hoeft daar Freud niet voor gelezen te hebben. Het heeft me al vroeg naar het strijdbare christendom gebracht.

De holocaust heeft mijn theologie veranderd, weg van die almachtige Vader die daarboven op allerlei knopjes zit te drukken. En als deze dat al zou doen dan zou ik zo’n God niet vereren kunnen. Ik zou hem alleen maar verachten. Vervolgens het zondebegrip: als er over zonde gesproken werd hoorde je alleen maar over seks zwetsen. Ik vond dat ziek en absurd. Het vergassen van kinderen had, dacht ik, wel iets meer met zonde te maken.”

Geweten
In de jaren zestig maakte Sölle zich breed voor wat de ‘verpolitisering van het geweten’ heette. “Het geweten heeft iets met politiek te maken, zo niet, dan gaat het niet om een geweten.” Sölle erkent dat het niet de bedoeling is dat we ons als wereldburgers door de veelheid van problemen laten verlammen. We kunnen ons toch niet overal schuldig en verantwoordelijk voor voelen? Mensen kunnen die last nu eenmaal niet dragen en… “dat hoeft niet ook niet. We moeten ons door de veelheid van problemen niet laten verlammen… om dan maar helemaal niets meer te doen. Maar wie christen wil zijn, houdt zich bezig met de maatschappelijke vragen van vrede, recht en heelheid van de schepping. Je gaat de samenhang tussen de dingen zien. Vanwege de schuldenlast is er te weinig onderwijs in de Derde Wereld-landen; omdat de vrouwen geen onderwijs krijgen, krijgen ze meer kinderen; deze kinderen sterven vervolgens aan – overigens vermijdbare – ziekten. Op geen enkel moment in de wereldgeschiedenis wordt het recht op scholing en genezing zo systematisch om zeep geholpen als op dit moment.”

Tekenen
Maar heeft Dorothee Sölle in haar strijd voor de waarheid niet een extra probleem? Ze vecht niet alleen tegen de armoede, maar ook nog eens tegen de kerk en het christendom. Is dat geen heilloze strijd? “Dat was misschien zo, maar het is niet meer waar, want – en dat is niet alleen maar mildheid vanwege mijn leeftijd – mijn verhouding tot de kerk is veranderd. Dat heeft alles te maken met de terugloop van de kerk. De kerk heeft geen macht meer. De Duitse predikanten waren ooit de best betaalde van de wereld, maar dat is – met Gods hulp – allang niet meer zo. Wie studeren nog theologie? Vrouwen. Prachtig, maar het betekent wel dat het vak steeds minder maatschappelijk aanzien krijgt.

Rondvliegend
“De kerk is dezelfde kerk overigens niet meer als die van ten tijde van de Vietnamoorlog. Er zijn helaas nog genoeg mensen binnen de kerken die me van ganser harte haten, maar ik zie gelukkig meer en meer tekenen van een andere kerk waar ik in geloof. Het zijn per slot van rekening de kerken die asielzoekers verbergen, niet ‘de universiteit’ of ‘de verenigde artsen’. Wie doet haar mond open? De kerken in Duitsland hebben onlangs een gezamenlijk standpunt ten aanzien van de sociale problematiek ingenomen – het is me nog niet radicaal genoeg – maar het gaat absoluut in de goede richting.

Voorzover er soms nog sprake is van vijandschap tegen de kerk, berust die op het verleden. De mensen die deze hetze steeds weer aanwakkeren, weten niet meer wat de kerk hedentendage voorstelt. Ook de media doen daaraan mee: de rondvliegende Paus wordt gefotografeerd, maar als een lerares een kind probeert bij te brengen dat het een mooi mens is – God vindt je prima, die houdt van je – dan wordt dat niet gefilmd. Men is er dan niet bij omdat men niet meer weet waar het in het christendom om gaat.

Voor deze ontwikkeling kunnen we toch dankbaar voor zijn. De kerk moest kennelijk eerst terug naar de catacomben, voordat uit de puinhopen van het oude iets nieuws kon ontstaan? We hebben een andere, nieuwe spiritualiteit nodig. De terreur van het economisme die over ons heerst is veel moeilijker grijpbaar dan de machten die de mens vroeger in de greep hadden. Om daartegen verzet te bieden, vergt de nodige kracht.”

En zou Sölle dan willen dat het christendom weer een grote beweging wordt? “Ik hoop natuurlijk dat er een grote beweging op gang komt die zich inzet voor de armsten en voor Moeder Aarde. De vraag is echter hoeveel macht een dergelijke beweging moet hebben. Een prachtige tekst van Martin Buber luidt: Succes is geen naam van God.”

Toscane
Sölle wordt gezien als vertegenwoordigster van de zogeheten bevrijdings-theologie. Heeft deze theologie in West-Europa nog iets te melden? “Ze leeft het meest binnen de feministische theologie. Vrouwentheologie is per definitie bevrijdingstheologie. Ze leeft in ieder geval niet aan de universiteiten. Deze zijn verwetenschappelijkt. Er was eens een studente die een scriptie over me wilde schrijven. Maar haar hoogleraar zei toen: ‘Dorothee Sölle, dat is een zeer vrome vrouw, maar ze heeft niets met wetenschappelijke theologie te maken.’ Ik vond dat prachtig, want ik had per slot van rekening veertig jaar lang gehoord dat ik überhaupt niet vroom was. Wat ik doe is bevrijdingstheologie. Ik ga van de verliezers uit en niet van de winnaars.”

Dat mag prachtig klinken, maar heb je God en Jezus nodig in de strijd voor de armen? “Waarschijnlijk wel, mijn verhouding tot links is veranderd. De meesten hebben opgegeven, ze behoren tot de Toscaner-fractie. Dat wil zeggen: ze hebben een huis in Toscane en amuseren zich kostelijk. Met een mild cynisme weten ze nog net hoe erg het is. Ze kijken misschien nog wel heel scherp, maar handelen al helemaal niet meer. Ze verzetten zich niet meer, maar trekken zich in hun innerlijke cynisme terug. Ze zijn volkomen onproductief. Onze ouderwetse kerken daarentegen koken nog soep voor de daklozen. Soep lost het probleem niet op, maar ze maakt het wel zichtbaar. De linkse intelligentsia is er daarmee beroerder aan toe dan de kerk.”

Partij
Maar wat heeft de theologie daarmee van doen? “Gods partij is de partij van de ‘losers’, niet de partij van de ‘winnaars’. Dat hoef ik toch niet voortdurend te herhalen. Als de beurzen weer omhoogschieten, vraag ik me af wie er nu weer verliest. Moeder Aarde is zo’n loser. In deze wereld heeft slechts 20% van de mensen heeft het recht te leven. Kennelijk wordt 80% gezien als drek. Om te komen tot een wereld waarin voor iedereen plaats is hebben we zowel mystiek als verzet nodig. Ik hoop dat ze beide vele nieuwe vormen vinden.”